| |
Al een aantal keren heb ik u op deze plaats bijgepraat over Amsterdamse splitsingsperikelen en helaas, het is weer zover. Bureaucraten van stadsdeel Oudzuid hebben inmiddels toegeslagen en deden mij denken aan een Italiaans gezegde: ‘Een afgewezen bureaucraat verandert in een bloederig verscheurend dier’. Maar, dat doet u en mij deze strijd niet opgeven.
Al vanaf de tachtiger jaren van de vorige eeuw, toen de beruchte wethouder Jan Schaefer nog aan het gemeentelijk bewind was, stond de splitsingsvergunning, althans het weigeren daarvan, in het licht van behoud van zoveel mogelijk goedkope huurwoningen. Ook de vernietigde Huisvestingsverordening, die via de voorpagina van de grootste ochtendkrant van ons land (graag gedaan!), leidde tot de splitsingsweek van oktober 1993 had behoud van goedkope huurwoningen tot doel. Toen trof de gemeenten geen doel. Vanaf 2002 was splitsen van goedkope huurwoningen in appartementsrechten wel mogelijk, echter ieder stadsdeel mocht daarvoor aparte regels opstellen en hoeveelheden woningen per jaar (contingenten) aanwijzen. Woningen met een huurwaarde boven de zogenaamde vrije sector huurgrens (gelijk aan grens huursubsidie) kon en kunt u gewoon splitsen met een splitsingsvergunning indien het pand bouwkundig in orde is. Voor woningen gebouwd na 1945 heeft u geen splitsingsvergunning nodig, dit geldt in het algemeen idem voor bedrijfspanden.
Bij het invoeren van de contingenten voor het splitsen van goedkope huurwoningen voor 19 duizend woningen in vier jaar, was het wantrouwen bij particuliere huiseigenaren groot. Binnen enkele jaren kregen zij gelijk. Leges voor de splitsingsvergunningen rezen de pan uit, alle stadsdelen hanteerden verschillende procedures en formulieren, de voorspelde willekeur ontbrak niet. Toen de minister Dekker van Volkshuisvesting in 2006 een verdere liberalisatie van de huren voorstelde, zag het hoofdstedelijke gemeentebestuur haar kans waar. Meteen bevroor zij de resterende aantallen van de contingenten voor het splitsen van goedkope huurwoningen. Dit feestje had volgens haar al lang genoeg geduurd.
Dat ondermeer door dit gebrek aan gesplitste woningen het aanbod van koopwoningen zo laag blijft tegenover een overweldigende vraag ernaar de koopprijzen nu exploderen, raakt blijkbaar dit gemeentebestuur niet. Landelijk bedraagt het percentage koopwoningen 52 procent van het totaal aantal woningen, in Amsterdam krap 22 procent. Het raakt haar ook niet dat die ellendige erfpachtcanons tot absurde niveaus omhoog schieten, zo dat op den duur de hoofdstad een onaantrekkelijke woon- en werkstad wordt.
Enfin, ik begon mijn tekst met de strijd tegen het Amsterdamse stadsdeel Oudzuid. Een van de leden van deze vereniging heeft een overwinning op dit stadsdeel behaald, althans indien de Raad van State die in tact houdt. Het is te hopen!
De sector Bestuursrecht van de rechtbank Amsterdam deed op 10 december 2007 uitspraak in deze kwestie. Voor de liefhebbers verwijs ik naar zaaknummer AWB 06/4266 HUISV.
Huiseigenaar R begon in 2004 met voorbereidingen om voor zijn pand in Amsterdam-Oudzuid een splitsingsvergunning aan te vragen. Om het pand te laten voldoen aan de bouwkundige eisen die behoren bij splitsen schakelde hij bouwkundige professionals in. De funderingsdeskundige informeerde het stadsdeel eind januari 2005 dat de fundering van dit pand was goedgekeurd, dit is namelijk een belangrijk aspect bij het splitsen van panden. In maart 2005 waren de splitsingstekeningen gereed. In januari 2006 diende R een aanvraag splitsingsvergunning bij Oudzuid en zeer snel, binnen vier dagen, meldde Oudzuid dat voor deze aanvraag in het contingent 2005-2006 geen rechten waren gereserveerd. R nam daarmee geen genoegen en maakte daartegen bezwaar met een brief in begin maart 2006. Oudzuid wees daarop binnen twee maanden (15 mei 2006) nadrukkelijk de aanvraag voor de splitsingsvergunning af. Op 17 mei 2006 maakte R daartegen bezwaar en Oudzuid wees dat bezwaar (als ongegrond) af.
|
|
Terwijl alle papieren, tekeningen en ook de bouwkundige toestand van het pand in maart 2005 in orde waren, vroeg R toen geen splitsingsvergunning aan. Zijn adviseurs waren blijkbaar door een ambtenaar van Oudzuid geadviseerd met deze aanvraag te wachten tot het contingent 2005-2006 beschikbaar was omdat de rechten van het contingent 2004-2005 al vergeven zouden zijn. Nu wil het geval dat het gemeentebestuur van Amsterdam op 28 juni 2005 het contingent 2005-2006 te splitsen huurwoningen voor de gehele stad op nihil heeft gezet. Pech voor R. Maar gezien de bijzondere omstandigheden van R deed hij in deze kwestie een beroep op de zogenaamde hardheidsclausule. Deze clausule hoort in wettelijke regels indien er geen sprake is van een overgangsrecht en in het geval zoals hier dat een ambtenaar R op het verkeerde been heeft gezet, met onredelijke gevolgen voor R. Oudzuid ging niet in op dit beroep van R op de hardheidsclausule. De rechtbank echter wel. De rechter vond: ‘….het kennelijk onredelijk dat Oudzuid de splitsingsvergunning heeft geweigerd, en geen toepassing heeft willen geven aan de hardheidsclausule’. Vervolgens vernietigde de rechter het weigeringsbesluit van Oudzuid, het beroep van R verklaarde hij gegrond. Daarmee kreeg R zijn zwaar bevochten splitsingsvergunning. Nu afwachten wat de Raad van State gaat oordelen.
Gelukkig geloofde de rechter R en zijn adviseurs, maar de les mag toch zijn dat u dit soort toezeggingen en beweringen tot vervelends toe schriftelijk moet bevestigen. Het is triest dat we op die manier met elkaar moeten omgaan. De tijd van een man (m/v) een man, een woord een woord is blijkbaar voorbij. Overheden en hun diensten waren er volledig voor ons, zij zijn verworden tot tegenpartijen, die we moeten wantrouwen en controleren. Overheidsbestuurders en ambtenaren dienen zich beter te realiseren dat hun adviezen en informatie vertrouwen wekken bij burgers, bedrijven en instellingen. Daarop kan men afgaan, dit vertrouwen dient hersteld te worden. Ik vertel het mijn vrienden over bankiers. Vroeger gaf de bankier me adviezen om geld te verdienen, nu geeft hij me die adviezen waaraan hij meer verdient dan ik. Dit zie ik ook wel eens in mijn vak; ik doe er niet aan mee.
Tot slot nog twee hoofdstedelijke sores. De parkeergarages van particulieren en bedrijven. Gelukkig heeft het stadsbestuur besloten dat het stalinistische controlesysteem van stadsdeel Amsterdam-centrum niet doorgaat. Hierbij moesten alle eigenaren van inpandige parkeerplaats van auto via extra parkeervergunningen betalen voor de loon- en bureaukosten van deze nieuwe controleurs. Eigenaren van parkeerplaatsen halen opgelucht adem. Er komt echter wel een controle op autobezitters die een parkeervergunning hebben voor op straat parkeren en tevens een parkeerplaats inpandig in eigendom of huur hebben. Ja, ik kan me er wel iets bij voorstellen, omdat de wachtlijst voor deze parkeervergunningen in bepaalde stadsdelen heel lang is. De oorzaak daarvan is uiteraard het rücksichtslos en geheimzinnig opheffen van parkeerplaatsen langs straten en grachten. Ik pleit ervoor dat bij deze nieuwe controle een spijtoptantenregeling komt voor hen die hun parkeerplaats verkopen of voor hen die hun huurparkeerplaats om welke reden dan ook kwijtraken.
Ja, die heksenjacht op short-stay-verhuur van appartementen in de vrije huursector, het is me wat. Een verbod op short-stay-verhuur van woningen in de sociale huursector vind ik prima, maar blijf van de vrije sector af, zoals de Huisvestingswet dit zegt. Een groot advocatenkantoor, waar ook de Amsterdamse gemeenteadvocaat huist, heeft me nog eens bevestigd: de gemeente gaat niet over woningen in de vrije sector zowel koop als huur. Dus als deze gemeente al een kromme regeling wil instellen om korte termijn verhuur te verbieden (weer met veel controles, vergunningen en kosten) zal de gemeenteadvocaat dit meteen torpederen. Daarbij komt dat deze korte termijn verhuur in de hele wereld mogelijk is en waarom dan niet in Amsterdam? Omdat de vijfsterrenhotels bij dit gemeentebestuur daarover hebben geklaagd? Laat me niet lachen.
|
|