| |
Huurders van woningen hebben
in ons land een sterke positie, volgens verhuurders een veel te sterke.
Huurbescherming is een goede zaak, maar sommige huurders vragen wel erg
veel. Sinds de nieuwe huurregels op 1 augustus 2003 van kracht werden,
is er op dit terrein veel duidelijkheid gekomen.
Voor de liefhebbers verwijs ik naar de artikelen 7: 274 en volgende van
het Burgerlijk Wetboek. Dit artikel gaat over redenen waarop een huur van
een woning kan eindigen. Slechts een (kanton-) rechter kan zo’n beëindiging
uitspreken.
Een huur van een woning kan bijvoorbeeld eindigen omdat een huurder zich
als een slecht huurder gedraagt. Of als de verhuurder zelf de vorige bewoner
is en hij weer terug wil in zijn woning. Of als de verhuurder de woning
voor dringend eigen gebruik nodig heeft. Dit is niet eenvoudig aan te tonen
en daarvoor moet u zich juridisch goed laten adviseren.
Een andere reden om de huur te verbreken wegens dringend eigen gebruik
is, als de verhuurder de woning samen met andere woningen moet renoveren
en dit slechts mogelijk is als de huurder de woning verlaat. Hierbij kunt
u denken aan complexgewijze renovaties waarbij panden met meer huurwoningen
als het ware gestript worden en na een grondige renovatie er zo goed als
nieuw uitzien. Zo’n renovatie is niet uitvoerbaar als er nog een
of twee huurders achterblijven. En, de verhuurder door die twee bewoonde
woningen de renovatie niet (goed) kan uitvoeren. In dit soort gevallen
zal de verhuurder voor de huurders die weggaan andere woningen beschikbaar
stellen, huurders hebben dan ook recht op een verhuisvergoeding. Nog afgezien
van het feit dat huurders meestal een terugkeergarantie krijgen, waarvan
niet alle huurders gebruik maken omdat ze zich senang voelen in hun nieuwe
woning. Het komt voor dat woningen die na renovatie niet verhuurd zijn
aan teruggekeerde huurders, door de verhuurder worden verkocht. Dit mede
ter dekking van de renovatiekosten en in het kader van het regeringsbeleid
om meer huurwoningen te verkopen.
|
|
Nu zijn er altijd enkele huurders
die in een situatie van een grote renovatie in een blok van huurwoningen
niet weg willen. Dat gebeurde in de regio Amsterdam. Een huurder wilde
niet weg, terwijl hij een terugkeergarantie had gekregen. Hij vertrouwde
de verhuurder blijkbaar niet en verdacht hem er van de huurders onder
het mom van renovatie uit te plaatsen om daarna de gerenoveerde woningen
te verkopen. De kantonrechter had de huurder al in het ongelijk gesteld,
maar de huurder zocht het hogerop. Ik las in het blad Huur en Verhuur
(nummer 2005/171) dat het Gerechtshof Amsterdam op 21 april 2005 deze
huurder ook in het ongelijk heeft gesteld. Deze raadsheren vonden ook
een terugkeergarantie voor de huur voldoende en zij stelden ook dat het
huurder niet aanging dat de verhuurder na voltooiing van de renovatie
een aantal woningen zou verkopen.
Juist deze grootscheepse renovaties in plaats van het slopen van grote
gedeelten van woonwijken zijn van groot belang in het kader van stadsvernieuwing.
Inderdaad moeten huurders dan in sommige gevallen opschuiven, maar als
dit keurig gebeurt, gaat het belang van gehele meer leefbare woonwijken
voor.
|
|