ARTIKELEN UIT DE TELEGRAAF WOONKRANT

 
geplaatst 11 februari 2004
Tuinpad zorgt voor burenruzie

<< terug
 

Om huizen bereikbaar te houden maken de bewoners gebruik van een (tuin-) pad. In veel gevallen ligt zo'n pad op de erfgrens van de beide huizen en gebruiken de bewoners dat gezamenlijk om van en naar hun huis te gaan. Bij eigenaren van huizen is dit vaak geregeld via een recht van overpad of erfdienstbaarheid. Bij huurders is dit geregeld in hun huurcontract, maar dat gaat niet altijd goed.

Huiseigenaren die op elkaars grond een pad aanleggen moeten dit gebruik, dus recht van overpad, notarieel laten vastleggen via het vestigen van een erfdienstbaarheid. De notaris zal deze akte laten inschrijven bij het kadaster. Daardoor heeft dit recht een werking tegenover opvolgende eigenaars, tenminste als het recht is voor onbepaalde tijd. Is er een bepaalde tijd afgesproken, dan loopt dit recht op een moment af en kunt u wel of geen nieuwe recht vestigen. Belangrijk is dat u afspreekt wie het pad onderhoudt, wie de kosten daarvan betaalt en wat u op dat pad mag vervoeren. Bijvoorbeeld geen auto=s, maar wel fietsen en er te voet overgaan.

Bij huurwoningen regelt de verhuurder dat recht. Zijn er twee huurders die naast elkaar wonen en via een gezamenlijk tuinpad naar hun voordeuren gaan en komen, dan is er echt sprake van een gezamenlijk gebruik. Dan kan het niet zo zijn dat de ene huurder tegen de zin van de buurman dat pad verlegt of gewoonweg verwijdert.

De kantonrechter in Groningen deed in een kort geding op 29 augustus 2003 hierover een uitspraak. Voor de liefhebbers verwijs ik naar de Praktijkgids nummer 2003, 6110.

In Delfzijl huurden twee buren hun huis bij dezelfde huisbaas. Hun tuinpad aan de voorzijde van hun huizen lag midden op de erfgrens van hun tuinen. Het tuinpad was 1,20 meter breed en bestond uit vier rijen stoeptegels van 30 x 30 centimeter. Ergens in 2002 ging de ene buurman met vakantie en de dag na zijn vertrek begon de andere buurman met een volledige verbouwing van zijn voortuin. Hij bestraatte de tuin met een groot terras en ruimde daarbij ook het gezamenlijke tuinpad.

  De verontruste buurman keerde spoorslags terug van vakantie en merkte dat hij bij gebrek aan het gezamenlijke tuinpad zijn voordeur nog slechts via het door de andere buurman aangelegde gras kon bereiken. Dit accepteerde hij niet, maar hij kon blijkbaar de andere buurman niet van zijn gelijk overtuigen. Dus sprak hij daarop de verhuurder aan. De verhuurder gaf deze huurder gelijk en sprak vervolgens per vele brieven de andere buurman aan, met het dringende verzoek het tuinpad weer in zijn oorspronkelijke uitvoering terug te brengen. U begrijpt het al, hij weigerde dat. Meer dan een jaar later kwam de kantonrechter er aan te pas. Deze gaf de verhuurder gelijk en het pad moest weer aangelegd worden en wel binnen 14 dagen na betekening (uitreiking) van zijn vonnis. Bij zijn uitspraak baseerde de kantonrechter zich blijkbaar op artikel 7: 213 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit is de verplichting dat de huurder zich als een goed huurder moet gedragen. Door het tuinpad weg te halen zonder toestemming van de buurman, had de andere buurman dienst rechten aangetast en gedroeg hij zich niet als een goed huurder.
@
Rechters zouden dat artikel vaker moeten gebruiken om overlast gevende huurders tot de orde te roepen. Maar het is altijd de verhuurder die dat artikel moet inroepen, want huurders hebben met elkaar geen rechtsverhouding die dat mogelijk maakt. Ik wens de verhuurders veel sterkte, als zij lastige huurders hebben. Want de getroffen huurders weten hun verhuurder dan te vinden en zwaaien met het wetboek dat is opengeslagen bij het betreffende wetsartikel.