|
ARTIKELEN UIT DE TELEGRAAF WOONKRANT |
||||
| geplaatst
24/09/2003 Samenwonende huurders |
<< terug | |||
| Verhuurders van woningen zijn altijd huiverig als huurders
gaan samenwonen of als een huurder overlijdt en de andere bewoner de huurrechten krijgt. Een verhuurder
wil nu eenmaal graag weten aan wie hij een woning verhuurt en wil een zo hoog mogelijke huurprijs.
Echter de wetgever heeft deze situaties zo strikt geregeld dat de verhuurder veel huuropvolgers moet
accepteren. En de rechters volgen de wet. De regels voor opvolging van huurderschap na overlijden van de originele huurder en het aanvragen van het medehuurderschap zijn sinds 1 augustus jongstleden geregeld in de artikelen 7: 267 en 268 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Belangrijk bij het aanvragen van medehuurderschap en het opvolgen als huurder indien de originele huurder is overlijden, is de vraag of betrokkenen een gemeenschappelijke huishouding voerden. Een aanwijzing voor een gemeenschappelijke huishouding kan zijn dat men alle kosten deelden en dat men de zorg had voor elkaar of dat er sprake is van een daadwerkelijke relatie (twee jaar). Een medehuurderschap aanvragen voor een kleinkind dat slechts kort inwoont bij een grootouder lijkt slechts als doel te hebben het bemachtigen van een goedkope huurwoning. En zo=n aanvraag zal dan ook stranden. Onlangs deden twee kantonrechters uitspraak in kwesties over het aanvragen van medehuurderschap. De kantonrechter in Den Haag moest op 18 juni 2003 (Praktijkgids 2003, 6085) oordelen over de vraag of een verhuurder een hogere huur mocht vragen als de huurder ging samenwonen. In het huurcontract waren zij immers overeengekomen dat als de huurder zou gaan samenwonen zij geen 295 euro per maand huur zou betalen maar 680 euro. Toen de verhuurder er achteraf achter kwam dat de huurder al zeer geruime tijd samenwoonde, wilde hij het verschil in huur incasseren of de huurder kon met haar partner vertrekken. Deze kantonrechter had geen enkele genade met de verhuurder en wees zijn vordering voor de in zijn ogen achterstallige huur af. Ook mocht de huurder blijven zitten tegen de oorspronkelijk huurprijs. |
De kantonrechter in Alphen aan den Rijn oordeelde op 1 juli 2003
(Praktijkgids 2003, 6087) over een verzoek van een broer en zus om een woning na het overlijden van de
huurder te mogen blijven huren. Het geval was namelijk dat deze broer en zus al in twee huizen met de
overleden huurder hadden samengewoond. Zij verzorgden de zeer zieke huurder en deelden alle kosten met hem.
Ook waren zij op het adres van de huurwoning ingeschreven in het (bevolkings-) register van de gemeente
Bodegraven. Dus was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding sprake. De kantonrechter wees dan
ook de huurrechten toe aan de broer en zus, waarbij hij er fijntjes op wees, dat de nu dwarsliggende
verhuurder zowel aan de huurder als aan de broer en zus jarenlang kerstkaarten zond. Waaruit toch moet
volgen dat verhuurder ook vond dat zij op dat adres hun hoofdverblijf hadden. Dit alles mag zo zijn. Echter, wat ik in de praktijk wel tegenkom en ik niet kan billijken is het volgende. Overbewoning van huurwoningen leidt tot extra belasting en slijtage van die woning en meer kosten voor de verhuurder. Zeker als de huurprijs aan de lage kant is, vormt dat een onredelijke last voor de verhuurder. Stelt u zich eens voor dat een echtpaar een driekamerwoning huurt en om welke reden dan ook trekken twee of meer mensen bij hen in, zonder dat zij het recht van medehuurder vragen. Dan kan ik u op een briefje geven dat zo´n woning binnen enkele jaren uitgewoond is en dat na vertrek van de huurders de eigenaar/verhuurder voor de herstelkosten kan opdraaien. Daarom vind ik in beginsel dat als een eigenaar een woning verhuurt aan een of twee mensen met of zonder kinderen, die woning slechts geschikt is voor diegenen die in het huurcontract staan vermeld. En daar komt bij dat een woning door de grootte ervan ook eigenlijk niet meer mensen kan bergen dan het aantal kamers toelaat. Dus bij het toekennen van medehuurderschap en het toestaan van onderverhuur van kamers moeten volgens mij rechters ook toetsen of de woning qua grootte wel of niet geschikt is voor bewoning door zoveel mensen. Want het toekennen van medehuurderschap en het toestaan van onderverhuur mag niet ten koste gaan van de belangen van de verhuurder. Die overigens ondanks dat er meer mensen in wonen die de huurprijs meebetalen of onderhuur betalen, nog steeds de lage huurprijs ontvangt. En daarvan wordt hij echt niet rijk. |