| |
De stelling 'Als er geen gek
is die zich voor een project wil inzetten, mislukt het' horen we wel vaker
als het gaat om herbestemming van industrieel erfgoed. Bij de bevestiging
of weerlegging van deze stelling zijn verschillende invalshoeken mogelijk.
Ik kies als invalshoek het antwoord op de vraag: moet men de restauratie
van onroerend industrieel erfgoed benaderen als projectontwikkeling, als
werkgelegenheidsproject of als levenswerk voor een statussymbool?
@
Velen beginnen enthousiast aan de restauratie van een industrieel project,
maar beseffen niet dat dit een uitzichtloze zaak wordt als ze zelf niet
deskundig zijn of zich niet door deskundigen laten adviseren. Vaak is
het enige wat deze enthousiastelingen beweegt een onstuitbare gedrevenheid
om een kostbaar monument te redden en/of te herbestemmen. Maar vooral
bij dat laatste is het ook zeer noodzakelijk dat er voldoende kopers/huurders
zijn voor het gerestaureerde monument. Ook staan initiatiefnemers er te
vaak niet bij stil dat de herbestemming van een industrieel monument van
behoorlijke afmetingen iets heel anders is dan een woonmonument restaureren
voor zelfbewoning. Eigen ervaringen bij de restauratie van een woonmonument
zijn niet maatgevend. Ook de overheden maken zich schuldig aan ondoordacht
handelen: met een soort waas voor ogen zetten zij panden op een monumentenlijst
die geen realistische herbestemming hebben of niet in een restaurabele
conditie verkeren. Wie een geslaagde restauratie en een succesvolle herbestemming
tot stand wil brengen, moet deskundig, realistisch én enthousiast
zijn. En, deze drie eigenschappen vindt u niet snel verenigd in één
persoon.
Emoties
Enthousiasme is dus niet voldoende voor een succesvolle restauratie en
herbestemming van een groot industrieel monumentaal project. Een restauratieplan,
eventuele bodemverontreiniging, aanleg van infrastructuur, het in de wacht
slepen van subsidies, de verhuur/verkoop van het gerestaureerde monument:
het zijn allemaal zaken die veel deskundigheid vereisen. Daarom geloof
ik er niet in dat één persoon zo'n project kan uitvoeren
op een manier die rendement oplevert. Volgens mij ligt de taak van de
enthousiasteling vooral in het uit alle macht behoeden van een monument
voor de sloophamer. Een bedreigd monument heeft iemand nodig die de mogelijkheden
ervan met tomeloze energie bij alle instanties verdedigt, zodat die uiteindelijk
voldoende aandacht krijgen. Op het moment dat de toezeggingen voor steun
en financiële hulp binnen zijn, de plannen klaar liggen en het project
kan beginnen, dient men de initiator bij wijze van spreken zijn of haar
bevoegdheden te 'ontnemen' om te voorkomen dat het project sneller onderuit
gaat dan het is opgezet. Een initiatiefnemer verliest door zijn emoties
en door zijn verlangen een levenswerk te volbrengen of een statussymbool
neer te zetten de noodzakelijke zakelijkheid uit het oog. Ook 'grote'
zakenlieden bezweken op het hoogtepunt van hun rijkdom voor de verleiding
en gaven hun eigen naam aan gebouwen; kijk maar naar de Trump Tower in
New York en het Magna Plaza in Amsterdam.
Als overheden bereid zijn te participeren in een herbestemmingsproject,
denken ze daarmee meestal alle problemen die in de regio spelen tegelijk
aan te pakken en op te lossen. Een tijdje geleden was de publiek-private
participatie (PPP) bij overheden en investeerders populair. (Overigens
legt men in Amsterdam de letters PPP uit als: praten, poen en pleite!).
De overheden dachten: 'Als we meedoen met die grote projecten, houden
we invloed en pikken we ook een of meer graantjes mee van het succes'.
Een van die graantjes is werkgelegenheid. Om die reden namen overheden
financieel deel in de herbestemming van grote industriële monumentenpanden:
zij gingen ervan uit dat het voor de restauratie en andere werkzaamheden
benodigde personeel uit het bestand van lokale werkzoekenden gehaald kon
worden. Desnoods startte men speciale opleidingsprogramma's. Soms dwongen
politici initiatiefnemers van projecten om onhaalbare werkgelegenheidsvoorwaarden
in een project op te nemen. Deze gaven in hun enthousiasme vaak toe aan
de druk van overheden omdat ze zo graag hun levenswerk tot stand zagen
komen. Inmiddels zijn de overheden er ook achtergekomen dat men bij projecten
het doel en de middelen zuiver gescheiden moet houden. Gedwongen winkelnering
met betrekking tot de lokale arbeidsmarkt domineert al een tijd niet meer
in hun voorwaarden tot participatie.
Koudwatervrees
Kunnen industriële monumenten dan alleen (rendabel) behouden worden
met een koel rekenende projectontwikkelaar? Zeker niet! Als de vorm en
de kwaliteit van onze samenleving uitsluitend zou afhangen van de ideeën
van projectontwikkelaars, doemen in mijn gedachten snode verhuisplannen
op. Maar, een projectontwikkelaar heeft natuurlijk wel de professionele
inslag en ervaring om een project zakelijk en verantwoord te volbrengen.
Daarbij kan hij uitstekend samenwerken met de initiatiefnemer en de goedbedoelende
overheden. Bovendien is bij professionals voldoende idealisme voor het
behoud van monumenten aanwezig om ze onder voorwaarden een industrieel
restauratieproject met een haalbare herbestemming toe te vertrouwen. De
projectontwikkelaar onderzoekt wat de markt vraagt en verwacht van zo'n
monumentaal project en houdt hierbij ook in de gaten of de omgeving ervan
aan dezelfde eisen voldoet als die van andere projecten in de omgeving.
Mensen die het nut van de inschakeling van projectontwikkelaars bestrijden,
lijden naar mijn mening aan 'koudwatervrees'.
|
|
Altijd komt men geld te kort
en bedelt men bij overheden om subsidies. Nooit hebben overheden voldoende
geld om de vele verzoeken om financiële steun bij herbestemmingsprojecten
allemaal te honoreren. De Kanjerpot (!) van het Ministerie van OCW is
elk jaar ontoereikend. Maar, toch zijn er vele projecten op vele terreinen
zoals sport, natuur, kunst en aids-preventie die dankzij hun energieke
aanpak en creativiteit financiële steun in de wacht slepen. Ook worden
veel organisaties gesponsord door het bedrijfsleven. Bedrijven hebben
een maatschappelijk en een commercieel belang, en zijn daardoor vaak bereid
tot sponsoring. Beide belangen zijn goed te combineren bij de restauratie
van een industrieel monument. Wie de financiering van een project door
sponsoring van het bedrijfsleven afwijst, heeft eveneens last van koudwatervrees.
Gekkenhuis
Met dit alles heb ik de vraag of elk project een gek nodig heeft om te
kunnen slagen nog niet beantwoord. In een publikatie als deze kan ik me
er natuurlijk niet vanaf maken met 'ik weet het niet' of 'dat is een moeilijke
vraag'. Het antwoord staat in het boek 'Monumentale gebouwen herbestemd'
van Tessel Pollman (Sdu uitgeverij), dat ik met stijgende verbazing las.
De auteur beschrijft de perikelen rondom de herbestemming van een aantal
monumentale gebouwen in ons land, zoals de Westergasfabrieken in Amsterdam
en het Sphinx Céramique-terrein in Maastricht. Wat een gekkenhuis
moet het bij veel projecten zijn geweest! Alle fouten van initiatiefnemers
die ik in het voorafgaande heb besproken, kwam ik tegen, vooral bij de
overheid. In sommige projecten betrok zij sociale woningbouw, werkgelegenheid,
ondernemerscentra en andere bedrijvigheid in projecten en wilde zij 'en
passant' de regionale en zelfs lokale problemen ook nog aanpakken. De
enthousiaste initiatiefnemers die de monumenten wilden redden, lieten
zich - uiteraard - meeslepen in deze euforie. De professionele projectontwikkelaar
werd niet ingeschakeld en aan sponsoring door het bedrijfsleven werd niet
gedacht. Men dacht dat men alleen een aannemer nodig had om het project
te doen slagen.
Zelf weet ik nog een voorbeeld van een pand dat door de provincie tot
monument werd verklaard. Eigenaar is een internationaal concern dat noch
wil toestemmen tot restauratie noch tot herbestemming. Het bedrijf wil
het pand slopen om er een parkeerterrein voor haar vrachtwagens aan te
leggen. Dat laatste zou ik betreuren. maar ik heb ook moeite met de werkwijze
van de desbetreffende provincie: men heeft het pand op een monumentenlijst
geplaatst zonder na te denken over een realistische herbestemmingsmogelijkheid.
Het resultaat is dat het pand staat te verkommeren, een situatie waar
niemand mee gebaat is. Het enige wat de overheid heeft bereikt, is dat
de sloop is tegengehouden. Inmiddels heeft zij begrepen dat ze de situatie
alleen maar kan redden door het pand te kopen. Maar, dat is een dure zaak.
Bovendien is de kans dat het een verliesgevende zaak wordt zeer groot,
omdat bepaalde eigenschappen van het pand een succesvolle, rendabele herbestemming
in de weg staan. Het zou gekkenwerk zijn als de overheid toch geld zou
pompen in een herbestemmingsproject.
De stelling 'als er geen gek is die zich voor een project wil inzetten,
mislukt het' durf ik in haar algemeenheid dan ook te bestrijden, al moet
ik haar gedeeltelijk onderschrijven. Met de titel 'gek' zou ik de initiatiefnemer
te kort doen. Ik vind dat iemand die een plan tot restauratie en herbestemming
van een industrieel monument bedenkt, verdedigt en geaccepteerd krijgt,
alle steun en eer toekomt. De operationele fase moet echter in handen
komen van deskundigen op dat terrein. Voor zaken als financiering, planning,
restauratie, opruiming van vervuiling, verbouwing, infrastructuur, verkoop/verhuur,
exploitatie en beheer zijn specialisten nodig. Alleen als deze zaken met
beleid worden aangepakt, kan een industrieel monument met succes en wellicht
met (im) materieel rendement gerestaureerd worden en een nieuwe bestemming
krijgen. En dat is in deze tijd zo gek nog niet......
|
|