|
ARTIKELEN UIT DE FINANCIELE TELEGRAAF |
||||
| geplaatst 30 november 2004 |
<< terug | |||
| Huurders van bedrijfspanden
bedingen vaak een zogenoemde koopoptie in hun huurcontract. Geheel ten
onrechte gaan ze met zo’n optie in hun huurcontract ervan uit dat
ze het pand op ieder moment en tegen hun prijs kunnen kopen. Men noemt
een voorkeursrecht al snel een koopoptie, terwijl dat twee totaal verschillende
zaken zijn. Dit kan uitlopen op een teleurstelling. |
Niets meer en niets minder. De verkoper heeft geen verkoop- en leveringsplicht omdat naast de omschrijving van het pand en de koopprijs ook bijkomende zaken de totstandkoming van een koop kunnen verhinderen. Zo’n voorkeursrecht noemt men in o.g.-kringen in ‘imponeer-‘Engels : ‘Right of first refusal’. Bij een koopoptie zal men van te voren de koopprijs of de wijze waarop die tot stand komt afspreken. Dat zal niet het geval zijn bij een voorkeursrecht of aanbiedingsplicht. Daarbij speelt vaak een rol dat een andere aspirant-koper zich heeft aangediend en dat de eigenaar de huurder het pand te koop aanbiedt tegen dezelfde of hogere koopprijs, als die hij van de ander kan krijgen. U kunt ook afspreken dat drie makelaars o.g. de koopprijs bindend vaststellen. Het Gerechtshof van Den Haag deed op 23 april 2004 (nummer 03/59) uitspraak in een jarenlang slepende kwestie tussen de eigenaar/verhuurder en de huurder van een manege te Rockanje. De eigenaar wilde verkopen en had een bod van een derde koper op zak. Omdat de huurder een voorkeursrecht had, bood hij het pand aan hem te koop aan tegen hetzelfde bedrag dat de ander bood. Maar de huurder vond dat hij de enige was die kon kopen (iets als een optie) en wilde de koopprijs door makelaars laten vaststellen via de waarde in het economisch verkeer. De raadsheren in Den Haag maakte daar korte metten mee. Bij een voorkeurecht mag de huurder kopen tegen een prijs die de eigenaar wil hebben, als de eigenaar al wil verkopen. |