| |
Aan het einde van huurovereenkomsten
ontstaat regelmatig discussie tussen huurder en verhuurder over de staat
waarin de vertrekkende huurder de bedrijfsruimte moet opleveren. Huurders
hebben vaak met of zonder toestemming van de verhuurder aan het pand
gebouwd of verbouwd. Moeten zij die bouwsels verwijderen of achterlaten?
En, krijgen zij bij achterlating van de verhuurder een vergoeding? Of,
niet?
Huurder mag bij vertrek meenemen hetgeen hij heeft aangebracht en op zich
moet hij het pand achterlaten in de toestand die redelijkerwijs overeenstemt
met de oorspronkelijke toestand toen hij het pand huurde. Dit wordt geregeld
in het wetsartikel 7: 216 van het Burgerlijk Wetboek. Sinds vorig jaar
augustus toen de nieuwe huurregels van kracht werden, hanteert men bij
modelhuurcontracten een opnamestaat waarin staat beschreven hoe het gehuurde
pand er uit ziet aan het begin van een huurperiode. Daarmee ontloopt men
bij het einde van de huur tenminste de discussie over de oorspronkelijk
staat van het pand. Neemt de huurder zelf aangebrachte zaken mee, dan mag
hij dat mits hij geen schade toebrengt aan het gehuurde pand.
Huurders voeren soms flinke verbouwingen uit in gehuurde panden. Als het
goed is doen ze dat met toestemming van de eigenaar/verhuurder. Zijn dit
verbouwingen die de huurder niet kan meenemen, dan kan hij bij vertrek
een vergoeding daarvoor vragen aan de verhuurder. Veel beter is het natuurlijk
dat huurder en verhuurder in de schriftelijke toestemming die verhuurder
voor zo’n verbouwing moet geven een vergoeding afspreken voor het
geval de huurder vertrekt. Denk daarbij aan het aanbrengen van verdiepingsvloeren
in gebouwen met hoge verdiepingen, het aanbrengen van keukens en toiletgroepen
en dergelijke. Verhuurder zal, om een verwijt van ongerechtvaardigde verrijking
te vermijden, akkoord gaan met een redelijke vergoeding. Dit kan bijvoorbeeld
zijn de kosten van de verbouwing en die af te schrijven in vijf jaren.
Dus dat bedrag ieder huurjaar te verminderen met 20 procent.
|
|
Sommige huurders zijn onhandig,
vergeten goede afspraken te maken en proberen dan toch bij vertrek geld
te ontvangen van de verhuurder. Een montagebedrijf huurde in 1975 een
hal met bovenliggend kantoor. Omdat hij een groter kantoor nodig had,
bracht de huurder met toestemming van de verhuurder in het huurcontract,
een extra verdiepingsvloer aan. Een aantal huurperioden later vertrok
de huurder en hij wilde van de verhuurder een vergoeding van 215 duizend
euro voor deze vloer. De huurder vond dat zonder deze vergoeding te betalen
de verhuurder zich ongerechtvaardigd aan hem verrijkt zou hebben. De
verhuurder weigerde ook maar iets te betalen.
Daarop ging de huurder naar de kantonrechter, die de huurder gelijk gaf.
Toen ging de verhuurder in hoger beroep bij een hogere rechter en de huurder
daarna bij de Hoge Raad. Want in hoger beroep kreeg de verhuurder gelijk
en de Hoge Raad bevestigde die laatste uitspraak op 25 juni jongstleden.
Een belangrijke overweging bij deze uitspraak was: ‘voorzover de
afschrijvingstermijn van de verbeteringen langer heeft geduurd dan de huurovereenkomst
komt dat voor rekening van de huurder’. Dus de huurder had bij zijn
investeringen in verbouwingen van het pand rekening moeten houden met de
afschrijvingstermijn daarvan en die moeten afstemmen op de door hem beoogde
huurperiode. Of, hij had vooraf met de verhuurder een afspraak moeten maken
over een vergoeding na vertrek, op het moment dat hij toestemming voor
de verbouwing vroeg aan de verhuurder. De verhuurder zal overigens, terecht,
er niet veel voelen om na bijvoorbeeld tien huurjaren nog vergoedingen
te betalen voor welke verbouwing dan ook, indien hij al die verbouwing
nodig heeft voor een nieuwe verhuur. Van verrijking is dus niet zo snel
sprake, als men wel denkt.
|
|