ARTIKELEN UIT DE FINANCIELE TELEGRAAF

 

geplaatst 2 november 2004

Einde huur: Verrijking

<< terug
 

Aan het einde van huurovereenkomsten ontstaat regelmatig discussie tussen huurder en verhuurder over de staat waarin de vertrekkende huurder de bedrijfsruimte moet opleveren. Huurders hebben vaak met of zonder toestemming van de verhuurder aan het pand gebouwd of verbouwd. Moeten zij die bouwsels verwijderen of achterlaten? En, krijgen zij bij achterlating van de verhuurder een vergoeding? Of, niet?

Huurder mag bij vertrek meenemen hetgeen hij heeft aangebracht en op zich moet hij het pand achterlaten in de toestand die redelijkerwijs overeenstemt met de oorspronkelijke toestand toen hij het pand huurde. Dit wordt geregeld in het wetsartikel 7: 216 van het Burgerlijk Wetboek. Sinds vorig jaar augustus toen de nieuwe huurregels van kracht werden, hanteert men bij modelhuurcontracten een opnamestaat waarin staat beschreven hoe het gehuurde pand er uit ziet aan het begin van een huurperiode. Daarmee ontloopt men bij het einde van de huur tenminste de discussie over de oorspronkelijk staat van het pand. Neemt de huurder zelf aangebrachte zaken mee, dan mag hij dat mits hij geen schade toebrengt aan het gehuurde pand.

Huurders voeren soms flinke verbouwingen uit in gehuurde panden. Als het goed is doen ze dat met toestemming van de eigenaar/verhuurder. Zijn dit verbouwingen die de huurder niet kan meenemen, dan kan hij bij vertrek een vergoeding daarvoor vragen aan de verhuurder. Veel beter is het natuurlijk dat huurder en verhuurder in de schriftelijke toestemming die verhuurder voor zo’n verbouwing moet geven een vergoeding afspreken voor het geval de huurder vertrekt. Denk daarbij aan het aanbrengen van verdiepingsvloeren in gebouwen met hoge verdiepingen, het aanbrengen van keukens en toiletgroepen en dergelijke. Verhuurder zal, om een verwijt van ongerechtvaardigde verrijking te vermijden, akkoord gaan met een redelijke vergoeding. Dit kan bijvoorbeeld zijn de kosten van de verbouwing en die af te schrijven in vijf jaren. Dus dat bedrag ieder huurjaar te verminderen met 20 procent.

 

Sommige huurders zijn onhandig, vergeten goede afspraken te maken en proberen dan toch bij vertrek geld te ontvangen van de verhuurder. Een montagebedrijf huurde in 1975 een hal met bovenliggend kantoor. Omdat hij een groter kantoor nodig had, bracht de huurder met toestemming van de verhuurder in het huurcontract, een extra verdiepingsvloer aan. Een aantal huurperioden later vertrok de huurder en hij wilde van de verhuurder een vergoeding van 215 duizend euro voor deze vloer. De huurder vond dat zonder deze vergoeding te betalen de verhuurder zich ongerechtvaardigd aan hem verrijkt zou hebben. De verhuurder weigerde ook maar iets te betalen.

Daarop ging de huurder naar de kantonrechter, die de huurder gelijk gaf. Toen ging de verhuurder in hoger beroep bij een hogere rechter en de huurder daarna bij de Hoge Raad. Want in hoger beroep kreeg de verhuurder gelijk en de Hoge Raad bevestigde die laatste uitspraak op 25 juni jongstleden. Een belangrijke overweging bij deze uitspraak was: ‘voorzover de afschrijvingstermijn van de verbeteringen langer heeft geduurd dan de huurovereenkomst komt dat voor rekening van de huurder’. Dus de huurder had bij zijn investeringen in verbouwingen van het pand rekening moeten houden met de afschrijvingstermijn daarvan en die moeten afstemmen op de door hem beoogde huurperiode. Of, hij had vooraf met de verhuurder een afspraak moeten maken over een vergoeding na vertrek, op het moment dat hij toestemming voor de verbouwing vroeg aan de verhuurder. De verhuurder zal overigens, terecht, er niet veel voelen om na bijvoorbeeld tien huurjaren nog vergoedingen te betalen voor welke verbouwing dan ook, indien hij al die verbouwing nodig heeft voor een nieuwe verhuur. Van verrijking is dus niet zo snel sprake, als men wel denkt.