| |
De huurregels voor bedrijfsruimten
zijn per 1 augustus 2003 gewijzigd. Maar de regering heeft haar taak
als wetgever verwaarloosd. Nog steeds bestaat het onbegrijpelijk onderscheid
tussen wel en niet beschermde huur van bedrijfsruimten. Het ene bedrijf
geniet wel bescherming in een bedrijfspand en het andere bedrijf in hetzelfde
pand niet. Verhuurders moeten zich er goed van overtuigen van welke soort
hun pand is, anders lopen zij een blauwtje.
Middenstands- of kleinhandelsbedrijven genieten huur- en huurprijsbescherming
volgens artikel 7: 290 van het Burgerlijk Wetboek (BW), vroeger artikel
7A: 1624 BW en verder. Andere bedrijven vallen onder artikel 7: 230a BW,
de vroegere Huurwet artikel 28.
Bij de zogenaamde kleinhandelsbedrijven moet u denken aan supermarkten
van AH en Laurus, sigarettenwinkels, cafés, restaurants en dergelijke.
Maar ook warenhuizen als de Bijenkorf genieten huurbescherming. De wetgever
heeft vorig jaar verzuimd om de ongelijkheid bij deze beschermde bedrijfsruimtes
tussen huurders en verhuurders weg te nemen. Ik vind dat een gemiste kans.
Bescherming is namelijk bedoeld voor economisch zwakkeren en huurders van
grote supermarkten en warenhuizen kan ik nu eenmaal niet als economisch
zwakker zien dan een verhuurder die maar één pand verhuurt.
Overige bedrijfsruimten zoals showrooms, werkplaatsen, kantoren en dergelijke
genieten nagenoeg geen enkele bescherming. Terwijl ik een huurder van een
klein kantoor best als een economisch zwakkere kan zien tegenover een institutionele
verhuurder. Nogmaals: een gemiste kans van onze regering.
Dan nog maar uitmaken of een bedrijfsruimte beschermd is of niet. De ene
kantonrechter stelt dat bijvoorbeeld een schoonheidssalon wel beschermd
is, maar een andere kantonrechter zegt van niet. Dat is toch om dol van
te worden. Een scheiding tussen bescherming en onbeschermd kan eenvoudiger
door een maximale oppervlakte van bijvoorbeeld 250 vierkante meter te hanteren.
|
|
Op 31 maart 2004 moest de kantonrechter
te Amersfoort (nummer 308081 cv 03/2751) uitspraak doen over zo’n
verwarrende kwestie. Een groothandel in lichtarmaturen huurde een pand
te Soesterberg voor opslag en showroom. De groothandel sloot op 31 maart
1998 een nieuwe huurovereenkomst voor vijf jaren. De verhuurder zei deze
overeenkomst op per 31 juli 2003, daarvoor schreef hij de huurder op
3 juli 2002 een aangetekende brief. In die brief bood de verhuurder meteen
aan een nieuw huurcontract te willen aangaan tegen een aanmerkelijk hogere
huur. De huurder wilde wel blijven zitten maar tegen een veel lagere
huur. Huurder en verhuurder kwamen er niet uit en de verhuurder stapte
naar de kantonrechter.
En, dat had hij beter niet kunnen doen. De kantonrechter oordeelde namelijk
dat de ruimte onbeschermd was, dus gold artikel 7: 230a BW, terwijl de
verhuurder ervan uitging dat het om een middenstandsruimte ging ex artikel
7: 290 BW en verder. ?Dat viel de verhuurder tegen want bij een beschermde
huur mocht hij niet zo maar opzeggen en kon de kantonrechter de nieuwe
huurprijs vaststellen voor de volgende periode van vijf jaren. Nu de bedrijfsruimte
onder de onbeschermde huur viel zag de kantonrechter de opzegging van de
verhuurder per 31 juli 2003 als juist en kon de huurder per die datum vertrekken.
Ik denk dat als de verhuurder bijtijds had geweten dat hier sprake was
van een onbeschermde huurruimte hij wat voorzichtiger was geweest met zijn
huuropzegging. Want in zijn verwarring koos hij voor de verkeerde weg,
die van leegstand.
|
|