ARTIKELEN UIT DE FINANCIELE TELEGRAAF

 

geplaatst 19 oktober 2004

Huur bedrijfsruimte: beschermd of niet

<< terug
 

De huurregels voor bedrijfsruimten zijn per 1 augustus 2003 gewijzigd. Maar de regering heeft haar taak als wetgever verwaarloosd. Nog steeds bestaat het onbegrijpelijk onderscheid tussen wel en niet beschermde huur van bedrijfsruimten. Het ene bedrijf geniet wel bescherming in een bedrijfspand en het andere bedrijf in hetzelfde pand niet. Verhuurders moeten zich er goed van overtuigen van welke soort hun pand is, anders lopen zij een blauwtje.

Middenstands- of kleinhandelsbedrijven genieten huur- en huurprijsbescherming volgens artikel 7: 290 van het Burgerlijk Wetboek (BW), vroeger artikel 7A: 1624 BW en verder. Andere bedrijven vallen onder artikel 7: 230a BW, de vroegere Huurwet artikel 28.

Bij de zogenaamde kleinhandelsbedrijven moet u denken aan supermarkten van AH en Laurus, sigarettenwinkels, cafés, restaurants en dergelijke. Maar ook warenhuizen als de Bijenkorf genieten huurbescherming. De wetgever heeft vorig jaar verzuimd om de ongelijkheid bij deze beschermde bedrijfsruimtes tussen huurders en verhuurders weg te nemen. Ik vind dat een gemiste kans. Bescherming is namelijk bedoeld voor economisch zwakkeren en huurders van grote supermarkten en warenhuizen kan ik nu eenmaal niet als economisch zwakker zien dan een verhuurder die maar één pand verhuurt.

Overige bedrijfsruimten zoals showrooms, werkplaatsen, kantoren en dergelijke genieten nagenoeg geen enkele bescherming. Terwijl ik een huurder van een klein kantoor best als een economisch zwakkere kan zien tegenover een institutionele verhuurder. Nogmaals: een gemiste kans van onze regering.

Dan nog maar uitmaken of een bedrijfsruimte beschermd is of niet. De ene kantonrechter stelt dat bijvoorbeeld een schoonheidssalon wel beschermd is, maar een andere kantonrechter zegt van niet. Dat is toch om dol van te worden. Een scheiding tussen bescherming en onbeschermd kan eenvoudiger door een maximale oppervlakte van bijvoorbeeld 250 vierkante meter te hanteren.

 

Op 31 maart 2004 moest de kantonrechter te Amersfoort (nummer 308081 cv 03/2751) uitspraak doen over zo’n verwarrende kwestie. Een groothandel in lichtarmaturen huurde een pand te Soesterberg voor opslag en showroom. De groothandel sloot op 31 maart 1998 een nieuwe huurovereenkomst voor vijf jaren. De verhuurder zei deze overeenkomst op per 31 juli 2003, daarvoor schreef hij de huurder op 3 juli 2002 een aangetekende brief. In die brief bood de verhuurder meteen aan een nieuw huurcontract te willen aangaan tegen een aanmerkelijk hogere huur. De huurder wilde wel blijven zitten maar tegen een veel lagere huur. Huurder en verhuurder kwamen er niet uit en de verhuurder stapte naar de kantonrechter.

En, dat had hij beter niet kunnen doen. De kantonrechter oordeelde namelijk dat de ruimte onbeschermd was, dus gold artikel 7: 230a BW, terwijl de verhuurder ervan uitging dat het om een middenstandsruimte ging ex artikel 7: 290 BW en verder. ?Dat viel de verhuurder tegen want bij een beschermde huur mocht hij niet zo maar opzeggen en kon de kantonrechter de nieuwe huurprijs vaststellen voor de volgende periode van vijf jaren. Nu de bedrijfsruimte onder de onbeschermde huur viel zag de kantonrechter de opzegging van de verhuurder per 31 juli 2003 als juist en kon de huurder per die datum vertrekken.

Ik denk dat als de verhuurder bijtijds had geweten dat hier sprake was van een onbeschermde huurruimte hij wat voorzichtiger was geweest met zijn huuropzegging. Want in zijn verwarring koos hij voor de verkeerde weg, die van leegstand.