| |
Huurders van bedrijfsruimte gaan er al snel van uit dat zij bij (vroegtijdig)
vertrek een opvolgende huurder mogen voordragen. Het woord indeplaatstelling
valt te pas en te onpas. Huurders zijn vlot erg verbolgen over het feit
dat de verhuurder de door hen voorgedragen om welke reden dan ook weigert.
Maar, is de verhuurder in zo'n geval rechteloos?
Bij de oude Huurwet artikel 28 huurders van kantoren, opslagruimten, ambachtsruimten
en dergelijke, nu artikel BW 7: 230a bedrijfsruimten, is helemaal geen
sprake van indeplaatsstelling. Althans, indien dat contractueel niet is
afgesproken.
Bij middenstandsruimten, winkels horeca-ruimten enzovoorts, dus de oude
BW 7A: 1624 BW ruimten, nu de BW 7: 290 kleinhandelsruimten is dwingend
een indeplaatstelling mogelijk. Dus de winkelier of restauranthouder wil
zijn bedrijf beëindigen en zoekt een opvolger, die zowel zijn bedrijf
als het huurcontract overneemt. Dit is historisch gezien de bedoeling
van deze wettelijke huurregel. Let wel dat grote warenhuizen en supermarkets
dezelfde huurrechten hebben. En, die hebben niets meer te maken met die
kleine middenstander die wil stoppen met werken, zijn zaak wil overdoen
zonder dat die grote huisjesmelker hem dat kan beletten.
Sinds de vernieuwing van de huurregels per 1 augustus 2003 vindt u deze
regeling van de indeplaatstelling voor kleinhandels- of middenstandsruimten
in het artikel 7: 307 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De verhuurder is
in zo'n situatie waarin de zittende huurder een nieuwe huurder voordraagt
zeker niet rechteloos. Weliswaar heeft de verhuurder weinig manoeuvreerruimte
maar hij hoeft zich niet alles gelegen te laten.
|
|
Zo is een indeplaatstelling slechts mogelijk als de nieuwe huurder het
bedrijf wil voortzetten in dezelfde branche. Dus een bloemenwinkel kan
hij niet wijzigen in een meubelhal. Ook mag de verhuurder eventuele aanvullende
financiële zekerheden vragen indien hij de huurder niet voldoende
solvabel acht. Dit kunnen ook aanvullende zekerheden van de zijde van
de voordragende huurder zijn.
Het voordeel van de nieuwe huurder is duidelijk. Hij stap in een lopende
huurovereenkomst met meestal een historische lage huur. Echter, hij moet
er wel rekening mee houden dat de verhuurder de huurprijs nader mag laten
vaststellen aan de hand van de huurontwikkeling ter plaatse gedurende
de laatste jaren. Dan gaat de huur na vijf jaren niet meteen enkele malen
over de kop, maar hoger wordt hij wel.
Onlangs probeerde een verhuurder nog te voorkomen dat een nieuwe huurder
het lopende huurcontract van een broodjeswinkel op de Nieuwendijk te Amsterdam
zou overnemen, via een indeplaatsstelling. De verhuurder baseerde zich
bij zijn weigering op de stelling dat men voortaan naast broodjes ook
maaltijden zou gaan verkopen en dat de sluitingstijden ruimer zouden worden.
De verhuurder ergerde zich ook aan de nieuw aangebrachte markiezen. Al
deze bezwaren ten spijt oordeelde de (kanton-) rechter dat de belangen
van zowel de vertrekkende als de nieuwe huurder zwaarder wogen dan de
belangen van de verhuurder. Die overigens voldoende financiële zekerheden
kon krijgen. De voorgedragen huurder kreeg dus het lopende huurcontract
op zijn naam en kon het bedrijf voortzetten en verder uitbouwen.
|
|