| |
Voor verbouwing van een gehuurde
bedrijfsruimte heeft de huurder nog steeds toestemming van de verhuurder
nodig. Meestal komen huurder en verhuurder daar wel uit. Het komt ook
voor dat een verhuurder een toestemming tot verbouwing weigert. Daarna
kan een huurder zich tot de kantonrechter richten om hem te vragen een
machtiging af te geven zo dat huurder die verbouwing alsnog kan uitvoeren.
Maar wat te doen als een huurder twee ruimten huurt van twee verschillende
verhuurder en die wil doorverbinden. Gaat de rechter daarin ook gemakkelijk
mee?
Voor winkels, horeca-ruimten en dergelijke bestond tot 1 augustus 2003
het artikel 7A: 1633 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin de
benodigde toestemming tot verbouwing van de verhuurder stond geregeld.
Nu geldt voor alle bedrijfs- en woonruimte sinds 1 augustus 2003 het artikel
7: 215 BW. In artikel 7: 215 lid 3 tot en met 5 staat een regeling waarmee
de huurder de rechter een machtiging vragen indien verhuurder hem weigert
een verbouwing toe te staan. Bij woningen heet dit populair het klusrecht.
Medio vorig jaar speelde in Amersfoort een kwestie over het doorverbinden
van twee schoenwinkels van dezelfde huurder met twee verschillende verhuurders.
Zowel de kantonrechter, de kort geding rechter als het Gerechtshof Amsterdam
deden hierover een uitspraak. Zie hiervoor de Praktijkgids 2004 nummers
6110, 6111 en 6112.
De winkelier moest beslissen om zijn twee huurcontracten op te zeggen
of te blijven huren, maar dan met een doorverbinding tussen beide naast
elkaar gelegen winkels. Een van de verhuurders weigerde een toestemming
daarvoor te geven en de winkelier wilde zijn gelijk halen bij de kantonrechter.
|
|
De kantonrechter die ter plaatse
is gaan kijken, verstrekte uiteindelijk geen machtiging aan de huurder
om de verbinding tussen de panden, waartegen verhuurder bezwaar maakte,
aan te brengen. Ook de kort geding rechter deed dat niet. Begin dit jaar
weigerde ook het gerechtshof de huurder gelijk te geven.
Het gerechtshof zag twee bezwaren om de huurder tegemoet te komen. Op
de eerste plaats was er twijfel of de doorgang bouwkundig wel zodanig
aan te brengen was dat verhuurders daarvan geen nadeel zouden ondervinden.
En, dat is natuurlijk een eerste vereiste als de huurder in andermans
pand flink gaat verbouwen. Een eigenaar/verhuurder staat dan uiteraard
volledig in zijn recht om garanties te vragen ten aanzien van de bouwkundige
constructie zowel voor als na de verbouwing.
Ten tweede vond het gerechtshof dat het aanbrengen van een doorgang tussen
de twee panden bovendien leidt tot een verwevenheid met de belangen van
de eigenaar/verhuurder van het ene en het andere pand. Dat maakt een inbreuk
op het eigendomsrecht van beide eigenaren/verhuurder.
In de praktijk merk ik dat huurders er al te gemakkelijk van uit gaan
dat zij maar alles met het gehuurde pand kunnen doen. Grove verbouwingen,
rare kleuren op de gevel schilderen, doorbraken naar naast gelegen of
boven gelegen panden/ruimten. Maar ook het weghalen van installaties,
puien en dergelijke. Met de wetswijziging van 1 augustus 2003 waren vele
verhuurders bang dat huurder de volledige vrije hand zouden krijgen bij
de door hen voorgenomen ver- en aanbouwingen. Deze rechterlijke uitspraken
nemen die vrees weg. Eigenaren die verhuren zijn niet rechteloos. Weliswaar
versterkt de wetgever de positie van de huurders steeds meer. Gelukkig
zijn er rechters die de redelijkheid en billijkheid weer terugbrengen
in de wettelijke regels. En, daarvoor zijn ze er ook.
|
|