ARTIKELEN UIT DE FINANCIELE TELEGRAAF

 

geplaatst 8 juni 2004
Toestemming verbouwing, Onredelijk

<< terug
 

Voor verbouwing van een gehuurde bedrijfsruimte heeft de huurder nog steeds toestemming van de verhuurder nodig. Meestal komen huurder en verhuurder daar wel uit. Het komt ook voor dat een verhuurder een toestemming tot verbouwing weigert. Daarna kan een huurder zich tot de kantonrechter richten om hem te vragen een machtiging af te geven zo dat huurder die verbouwing alsnog kan uitvoeren. Maar wat te doen als een huurder twee ruimten huurt van twee verschillende verhuurder en die wil doorverbinden. Gaat de rechter daarin ook gemakkelijk mee?

Voor winkels, horeca-ruimten en dergelijke bestond tot 1 augustus 2003 het artikel 7A: 1633 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin de benodigde toestemming tot verbouwing van de verhuurder stond geregeld. Nu geldt voor alle bedrijfs- en woonruimte sinds 1 augustus 2003 het artikel 7: 215 BW. In artikel 7: 215 lid 3 tot en met 5 staat een regeling waarmee de huurder de rechter een machtiging vragen indien verhuurder hem weigert een verbouwing toe te staan. Bij woningen heet dit populair het klusrecht.

Medio vorig jaar speelde in Amersfoort een kwestie over het doorverbinden van twee schoenwinkels van dezelfde huurder met twee verschillende verhuurders. Zowel de kantonrechter, de kort geding rechter als het Gerechtshof Amsterdam deden hierover een uitspraak. Zie hiervoor de Praktijkgids 2004 nummers 6110, 6111 en 6112.

De winkelier moest beslissen om zijn twee huurcontracten op te zeggen of te blijven huren, maar dan met een doorverbinding tussen beide naast elkaar gelegen winkels. Een van de verhuurders weigerde een toestemming daarvoor te geven en de winkelier wilde zijn gelijk halen bij de kantonrechter.

 

De kantonrechter die ter plaatse is gaan kijken, verstrekte uiteindelijk geen machtiging aan de huurder om de verbinding tussen de panden, waartegen verhuurder bezwaar maakte, aan te brengen. Ook de kort geding rechter deed dat niet. Begin dit jaar weigerde ook het gerechtshof de huurder gelijk te geven.

Het gerechtshof zag twee bezwaren om de huurder tegemoet te komen. Op de eerste plaats was er twijfel of de doorgang bouwkundig wel zodanig aan te brengen was dat verhuurders daarvan geen nadeel zouden ondervinden. En, dat is natuurlijk een eerste vereiste als de huurder in andermans pand flink gaat verbouwen. Een eigenaar/verhuurder staat dan uiteraard volledig in zijn recht om garanties te vragen ten aanzien van de bouwkundige constructie zowel voor als na de verbouwing.

Ten tweede vond het gerechtshof dat het aanbrengen van een doorgang tussen de twee panden bovendien leidt tot een verwevenheid met de belangen van de eigenaar/verhuurder van het ene en het andere pand. Dat maakt een inbreuk op het eigendomsrecht van beide eigenaren/verhuurder.

In de praktijk merk ik dat huurders er al te gemakkelijk van uit gaan dat zij maar alles met het gehuurde pand kunnen doen. Grove verbouwingen, rare kleuren op de gevel schilderen, doorbraken naar naast gelegen of boven gelegen panden/ruimten. Maar ook het weghalen van installaties, puien en dergelijke. Met de wetswijziging van 1 augustus 2003 waren vele verhuurders bang dat huurder de volledige vrije hand zouden krijgen bij de door hen voorgenomen ver- en aanbouwingen. Deze rechterlijke uitspraken nemen die vrees weg. Eigenaren die verhuren zijn niet rechteloos. Weliswaar versterkt de wetgever de positie van de huurders steeds meer. Gelukkig zijn er rechters die de redelijkheid en billijkheid weer terugbrengen in de wettelijke regels. En, daarvoor zijn ze er ook.