ARTIKELEN UIT DE FINANCIELE TELEGRAAF

 

geplaatst 26/08/2003 Huuroptie en conservatoir beslag: Beslagen

<< terug
 

In de praktijk spreekt men snel over een optie tot huur van een pand of een gedeelte daarvan. Of, huurders zien in een optie de mogelijkheid een huurcontract met een bepaald aantal jaren te verlengen. Terwijl deze verlenging afhangt van een wederzijdse opzegging of verlenging van een huurovereenkomst. En, een optiebeding geldt als een onherroepelijk aanbod, dat voor de verhuurder verstrekkende gevolgen kan hebben.

Verlenging van een huurcontract voor gewone bedrijfsruimten, dus geen beschermde middenstands- of kleinhandelsbedrijfsruimten, hangt ervan af of de verhuurder daarmee instemt. In de meeste huurcontracten staat een mogelijkheid tot verlenging van de huurperiode met bijvoorbeeld vijf jaar, mits de verhuurder niet heeft opgezegd met in achtneming van de afgesproken opzegtermijn. Deze verlengingsmogelijkheid noemen veel huurders en verhuurders optie, dit geheel ten onrechte.

Een optie of optiebeding is een onherroepelijk aanbod, dus een voorkeursrecht. Vermeldt de optie in het huurcontract geen huurperiode of huurprijs van de eventueel af te sluiten huurovereenkomst, doet dit er niet toe. Zo ervaarde een verhuurder in het Limburgse Beek.

De voorzieningen- of kort gedingrechter te Maastricht stelde de verhuurder tijdens een rechtzaak over zo´n optiebeding op 18 juni jongstleden in het ongelijk (Praktijkgids 2003, nummer 6068). Overigens ging dit kort geding over het beslag dat de huurder had gelegd op de bankrekening van verhuurder. In tegenstelling tot het optiebeding dat de huurder had, verhuurde de verhuurder het andere gedeelte van een bedrijfspand aan een ander. De zittende huurder huurde namelijk slechts een gedeelte van het pand en had een optie om het resterende gedeelte van het pand te huren op een tijdstip dat hem uitkwam. Over de huurprijs en de huurperiode had men destijds blijkbaar niet onderhandeld en stonden ook niet in het optiebeding. De rechter vond dit laatste niet van belang.

 

De stelling van verhuurder in het kort geding was dat de huurder onterecht beslag had gelegd op zijn bankrekening, omdat de huurder volgens hem geen gebruik mocht maken van de optie tot huur van de rest van het pand. Want, zo redeneerde de verhuurder, de huurder had zich niet als een goed huurder gedragen door twee huurtermijnen niet te betalen. Huurder had daarentegen deze huurtermijnen verrekend met een vordering die hij op de verhuurder heeft.
De (kanton-) rechter had al uitgesproken dat de huurder zijn huurachterstand moest betalen, echter een andere rechter moest zich nog uitspreken over de vordering van de huurder op verhuurder. Tijdens het kort geding lag deze laatste uitspraak nog niet op tafel. Dus stelde de kort gedingrechter vast dat daarmee nog niet vaststond dat de huurder zich niet als een goed huurder had gedragen. Want wellicht had de huurder terecht de twee huurtermijnen verrekend met zijn vordering op de verhuurder. Deze rechter kende de huurder de optie tot huur van de rest van het pand toe en hief het beslag op de bankrekening van de verhuurder niet op. Nu heeft de verhuurder een probleem. Hij kan niet over zijn geld beschikken en de andere huurder mag de rest van het pand helemaal niet huren, omdat de zittende huurder daar recht op heeft. In deze kwestie hadden huurder en verhuurder kort geleden ook al onderhandeld over het huurcontract voor het gehele pand, het was desalniettemin nog niet ondertekend. En, dat was voor de rechter ook een reden om de huurder gelijk te geven, terwijl in het lopende huurcontract het optiebeding slechts summier was geformuleerd.

Zo´n conservatoir beslag op een bankrekening bleek in dit geval zeer effectief, want met een beslag zet iemand de tegenpartij flink onder druk. Echter, leg niet te gemakkelijk beslag om andermans spullen of geld. Blijkt het beslag onterecht gelegd te zijn, dan krijgt de beslaglegger een flinke schadeclaim aan zijn broek. Dus kom bij beslagen goed beslagen op het ijs.