| |
Per 1 augustus aanstaande treedt
het nieuwe huurrecht voor woon- en bedrijfsruimte inwerking. Gedurende
enkele maanden behandel ik steeds een onderdeel van de nieuwe huurregels
voor bedrijfsruimte. Deze week gaat mijn bijdrage over de onderhuur van
een bedrijfsruimte en in de plaatsstelling.
De meeste nieuwe huurregels voor middenstandsruimten, zoals winkels, restaurants
en cafés vindt u in de artikelen 7: 290 tot en met 7: 310 van het
Burgerlijk Wetboek (BW). Dat zijn de regels die de oude uit artikelen
7A: 1624 en volgende van het BW vervangen. De huurregels voor alle andere
bedrijfsruimten, die voorheen stonden in de Huurwet artikelen 28 en 29,
vindt u voortaan in artikel 7: 230a van het BW. Deze zijn nagenoeg niet
gewijzigd. Onderhuur van bedrijfsruimte is geregeld in artikel 7: 221
BW: >De huurder is bevoegd het gehuurde geheel of gedeeltelijk aan
een ander in gebruik te geven, tenzij hij moest aannemen dat de verhuurder
tegen het in gebruik geven aan die ander redelijke bezwaren zal hebben.=
Deze nieuwe onderhuurregel heeft betrekking op nieuwe huurcontracten en
niet op lopende huurovereenkomsten. Wil verhuurder dus onderverhuur door
de huurder tegengaan, dan zal hij dat nadrukkelijk in het huurcontract
moeten opnemen. Neemt de verhuurder geen aparte duidelijke bepaling op
dat hij geen onderverhuur wenst, dan mag de huurder aannemen dat hij mag
onderverhuren. Behalve natuurlijk wanneer de huurder op een andere wijze
dan het huurcontract ervan op de hoogte kon zijn dat de hoofdverhuurder
geen onderhuur wenst. Dus verhuurders let op uw zaak. De onderhuur eindigt
overigens gelijk met de hoofdhuur. Dit zowel in het geval de hoofdhuurder
de huur heeft opgezegd of de hoofdverhuurder dit deed, of wanneer de rechter
de einddatum van de huur heeft vastgesteld. Zie artikel 7: 306 BW. Heeft
de onderverhuurder de onderhuurder niet of niet juist voorgelicht over
de periode waarvoor hij de hoofdhuur is aangegaan of waarvoor deze geldt,
dan moet de hoofdhuurder de schade aan de onderhuurder vergoeden. Dat
gaat ook op wanneer de hoofdhuurder bij het beëindigen van de hoofdhuur
of bij het bepalen van de datum van ontruiming onvoldoende voor de belangen
van de onderhuurder heeft gewaakt. In de praktijk kan dit nog wel tot
aardige problemen leiden, omdat de huurperioden van de hoofdhuurder en
de onderhuurder dikwijls niet gelijk lopen.
|
|
In artikel 7: 307 BW vindt u
voor middenstandsruimten de regels voor in de plaatsstelling. Dus een
huurder wenst zijn bedrijf te beëindigen en zoekt een opvolger, die
de lopende huurovereenkomst overneemt tegen de dan geldende huurprijs.
En, ook de goodwill en inventaris tegen betaling kan overnemen. De nieuwe
regeling komt in grote lijnen overeen met de oude regel 7A: 1635 BW. Vanaf
1 augustus geldt wel een nieuwe regel, namelijk dat de overdragende huurder
niet ook diegene hoeft te zijn die het bedrijf uitoefende. Deze verruiming
komt uit de rechtspraak en in het bijzonder van belang voor het (groot)
filiaalbedrijf. Bijvoorbeeld woninginrichter en meubelbedrijf Leen Bakker.
Bakker wil om welke reden dan ook de lopende huurovereenkomst overdragen
aan een soortgelijk bedrijf, dat deel uitmaakt van het concern waartoe
Bakker behoort of een soortgelijk bedrijf van buiten die groep. Dan kan
dat voortaan wel onder de nieuwe regels.
Heeft de verhuurder de huurovereenkomst beëindigd en verhuurt de
ruimte vervolgens aan een soortgelijk bedrijf (winkel) als de vorige huurder,
dan kan het zijn dat de verhuurder daardoor met bijvoorbeeld een hogere
huur een voordeel geniet. Dan heeft de vorige (onder-) huurder het recht
om aan de verhuurder voor dat genoten voordeel een vergoeding te vragen.
Dit voordeel kan geen betrekking hebben op de aard of ligging van de destijdse
gehuurde ruimte en de huurder kan zo=n vergoeding ook niet vragen als
de nieuwe huurder pas na een jaar de ruimte huurt.
De nieuwe huurcontracten en bijbehorende algemene bepalingen zijn inmiddels
te verkrijgen bij de Raad voor Onroerende Zaken: www.roz.nl. Deze nieuwe
contracten kunt u maar beter onmiddellijk gebruiken.
-einde-
|
|