| |
De verkiezingen voor de Tweede
Kamer op volgende week woensdag zorgen voor veel commotie. Verkiezingsleuzen
en dito beloften vliegen u en mij om de oren. Politici hebben een mening
over alles en nog wat, en beloven ook alles en nog wat. Daarbij vergeten
zij te melden dat de gelden die zij willen besteden in feite ons belastinggeld
is en over ruimte voor bedrijven hoor ik ze al helemaal niet.
Ondanks mijn bedenkingen over de laatste generaties politici, ga ik toch
stemmen. Dit vooral om mijn recht tot klagen over ’s lands bestuur
niet te verspelen. Uiteindelijk breng ik mijn stem uit op de partij waar
ik me thuis voel. Een partijprogramma ligt immers 23 januari, overigens
net zoals deze krant morgen, in de kattenbak.
Alle activiteiten die de politiek wil ondernemen, vereisen geld. Dat geld
moeten alle burgers en bedrijven van ons land bijeenbrengen via de belastingen,
de een meer dan de ander. Vanuit de economische bedrijvigheid van bedrijven
en hun werknemers komt het geld voor nuttige voorzieningen en politieke
hobby’s. Om deze bedrijvigheid op peil te houden en uit te breiden hebben
bedrijven ruimte nodig. Naast ruimte, willen bedrijven bereikbaar zijn
voor hun werknemers, leveranciers en klanten, die deze bedrijven veilig
moeten kunnen bezoeken en verlaten.
Van bepaalde (linkse) partijen krijg ik weleens de indruk dat de overheden
eigen gelden bezitten of domweg een grote boom in de rijkstuin hebben
staan, waaraan geld groeit. In feite geven zij ons belastinggeld uit,
het geld waarvoor ondernemers en hun medewerkers hard werken. Of belastinggeld
dat komt van vermogenden die zonder arbeid te verrichten belasting betalen
over hun eigen vermogen, successierechten over erfenissen en overdrachtsbelasting
over de koop van onroerend goed. Als de volgende keer weer een politicus
zegt dat hij/zij zoveel miljoen euro geeft aan een voorziening, verwacht
ik van ons journaille dat het deze politicus corrigeert. Hij hoort namelijk
te zeggen dat hij van ons belastinggeld zoveel miljoen euro daar en daaraan
besteedt.
|
|
Enfin, over de ruimte voor bedrijvigheid.
Dan heb ik het niet alleen over de fysieke ruimte, zoals bouwlocaties
voor kantoren en andere panden of nieuwe bedrijfsterreinen. Dan heb ik
het over stroperige regelgeving die het realiseren van bouwplannen sterk
vertraagt of volstrekt onmogelijk maakt. Verhuizen is voor een bedrijf
veel kostbaarder dan uitbreiden op dezelfde plek. Dat uitbreiden kan inhouden:
een verdieping erop bouwen, juist de grond in gaan of een gebouw er naast
bouwen. Neemt een bedrijf een besluit om uit te bouwen, dan gaat zij niet
over een nacht ijs. Dus als het uitbreidingsbesluit is gevallen, moet
de realisatie daarvan niet lang op zich laten wachten. Want dat scheelt
zo’n ondernemer (en zijn medewerkers) omzet, en daarmee werkgelegenheid
en winst.
Gemeentelijke heffingen zoals de onroerende zaakbelasting voor bedrijfspanden
rijzen de pan uit, maar ook leges voor het aanvragen van bouwvergunningen
en milieuvergunningen kosten een vermogen. De kostendekkendheid van deze
leges zijn omgeven door veel politieke mist. Dat geldt ook voor de grondprijzen
die gemeenten rekenen voor bedrijventerreinen of grond
waarop een ondernemer wil bouwen. Dan heb ik het over torenhoge grondprijzen
die gemeenten hanteren bij verkoop en uitgifte in die afschuwelijke erfpacht.
Overigens hanteren ook het rijk en enkele provincies erfpacht. Overheden
krijgen door hun hoge prijzen langzamerhand de naam van zakkenvullers
te zijn.
Politici doen er goed aan bedrijven en hun werknemers te beschouwen als
het tafelzilver van ons land, in plaats van ondernemers dwars te zitten
of te belemmeren in hun bedrijvigheid. Uiteraard gelden voor bedrijven
regels, zeker redelijke regels. Zij moeten respect hebben voor natuur
en milieu, en andere onnodige overlast aan derden vermijden. Maar ruimte
hebben ze nodig, de schoorsteen moet immers wel blijven roken.
-einde-
|
|