| |
Gelukkig raakt het zondermeer
slopen van oude panden uit de tijd. Steeds vaker vinden ontwikkelaars
een andere bestemming voor oude gebouwen en maken zij hun aankoop daarmee
rendabel. In dit kader kijk ik vooral naar leegstaande fabrieken, defensiegebouwen
zoals kazernes, kloosters en kerken. Het al te gemakkelijk willen ombouwen
van leegstaande kantoren tot woningen, zie ik om meer dan een reden niet
zitten.
Met een aantal andere auteurs schreef ik in 1994 mee aan het boek ‘Oude
fabrieken, nieuwe functies’. Dit boek geeft tal van voorbeelden
van geslaagde herbestemmingen van industriële panden, het bevat ook
vele adviezen hoe zulke zaken wel en niet aan te pakken. Het onderwerp
herbestemmen van ons ongebruikte industriële erfgoed blijft boeien.
Gelukkig merk ik ook dat oude woningen niet zondermeer gesloopt worden.
Als het enigzins kan, zal men proberen om de oude onverhuurbare woningen
te strippen met behoud van karakteristieke bouwstijl om de woningen daarna
geheel nieuw in te richten met hedendaags comfort. Daarmee vermijden gemeenten
dat in oude wijken allerlei nieuwbouwblokken verschijnen, die zelfs op
regenachtige dagen pijn aan mijn ogen doen.
Vorige week lunchte ik met Cor van Zadelhoff, een vermaarde collega, die
zich inmiddels ook interesseert voor herbestemming van leegstaande industriële
panden. Als mede-eigenaar van het voormalige Renaultgebouw nabij het NS-Amstelstation
te Amsterdam heeft hij onlangs met dit gebouw zo’n herbestemming
succesvol gerealiseerd. En, ik moet toegeven: zeer succesvol!
De aankoop en verbouwing van deze voormalige garage en autoshowroom heeft
zoals alle bouwplannen in de hoofdstad veel voeten in de aarde gehad.
Naar verluidt was mijn gastheer bijna 20 jaar bezig met de aankoop en
verbouwing van deze voormalige garage en dreigde de gemeente Amsterdam
op het laatste moment hem nog in de wielen te rijden. Alles kwam echter
op zijn pootjes terecht.
|
|
Radio BNR, het Financieele Dagblad,
een fitnessbedrijf en een restaurant bevolken nu het Renaultgebouw. In
het bijzonder het restaurant Dauphine kan ik u aanbevelen. De eetcriticus
van het Parool: Johannes van Dam gaf dit restaurant een verdiende 8. Daar
zittend kwamen toch allerlei herinneringen boven. Mijn destijdse Reanult
25 kocht ik daar in 1992 en ik kwam daar regelmatig voor onderhoud. In
1968 reed ik een Renault Dauphine en voilà daar zat ik in een restaurant
te lunchen met dezelfde naam.
Althans: volgens mij betekent le dauphin, dolfijn. Restaurant in het Frans
is mannelijk. En, auto en voiture zijn vrouwelijk in het Frans, vandaar
Ranault Dauphine. Daarmee hebben de naamgevers van dit restaurant zich
nog al een taalkundige vrijheid veroorloofd door le restaurant Dauphine
en niet Dauphin te noemen. Waarschijnlijk dacht men te veel aan de bekende
eetgelegenheid La Coupole (de koepel) in Parijs. Daaraan denken mag van
mij, maar een vergelijking daarmee loopt spaak, zeker voor iemand die
al in La Coupole kwam vóór de grote brand.
Al met al is er weer een industrieel pand van de sloop gered. Want ik
begreep dat de gemeente er een autotransferium van had willen maken, ik
ben blij dat dit niet is doorgegaan. Ik hoop dat vele ontwikkelaars en
architecten dit voorbeeld zullen volgen indien zij de opdracht krijgen
tot sloop of herbestemming van leegstaande bedrijfsgebouwen.
|
|