ARTIKELEN COBOUW

 

geplaatst 14 april 2006

Dolfijn (m/v)

<< terug
 

Gelukkig raakt het zondermeer slopen van oude panden uit de tijd. Steeds vaker vinden ontwikkelaars een andere bestemming voor oude gebouwen en maken zij hun aankoop daarmee rendabel. In dit kader kijk ik vooral naar leegstaande fabrieken, defensiegebouwen zoals kazernes, kloosters en kerken. Het al te gemakkelijk willen ombouwen van leegstaande kantoren tot woningen, zie ik om meer dan een reden niet zitten.

Met een aantal andere auteurs schreef ik in 1994 mee aan het boek ‘Oude fabrieken, nieuwe functies’. Dit boek geeft tal van voorbeelden van geslaagde herbestemmingen van industriële panden, het bevat ook vele adviezen hoe zulke zaken wel en niet aan te pakken. Het onderwerp herbestemmen van ons ongebruikte industriële erfgoed blijft boeien. Gelukkig merk ik ook dat oude woningen niet zondermeer gesloopt worden. Als het enigzins kan, zal men proberen om de oude onverhuurbare woningen te strippen met behoud van karakteristieke bouwstijl om de woningen daarna geheel nieuw in te richten met hedendaags comfort. Daarmee vermijden gemeenten dat in oude wijken allerlei nieuwbouwblokken verschijnen, die zelfs op regenachtige dagen pijn aan mijn ogen doen.

Vorige week lunchte ik met Cor van Zadelhoff, een vermaarde collega, die zich inmiddels ook interesseert voor herbestemming van leegstaande industriële panden. Als mede-eigenaar van het voormalige Renaultgebouw nabij het NS-Amstelstation te Amsterdam heeft hij onlangs met dit gebouw zo’n herbestemming succesvol gerealiseerd. En, ik moet toegeven: zeer succesvol!

De aankoop en verbouwing van deze voormalige garage en autoshowroom heeft zoals alle bouwplannen in de hoofdstad veel voeten in de aarde gehad. Naar verluidt was mijn gastheer bijna 20 jaar bezig met de aankoop en verbouwing van deze voormalige garage en dreigde de gemeente Amsterdam op het laatste moment hem nog in de wielen te rijden. Alles kwam echter op zijn pootjes terecht.

 

Radio BNR, het Financieele Dagblad, een fitnessbedrijf en een restaurant bevolken nu het Renaultgebouw. In het bijzonder het restaurant Dauphine kan ik u aanbevelen. De eetcriticus van het Parool: Johannes van Dam gaf dit restaurant een verdiende 8. Daar zittend kwamen toch allerlei herinneringen boven. Mijn destijdse Reanult 25 kocht ik daar in 1992 en ik kwam daar regelmatig voor onderhoud. In 1968 reed ik een Renault Dauphine en voilà daar zat ik in een restaurant te lunchen met dezelfde naam.

Althans: volgens mij betekent le dauphin, dolfijn. Restaurant in het Frans is mannelijk. En, auto en voiture zijn vrouwelijk in het Frans, vandaar Ranault Dauphine. Daarmee hebben de naamgevers van dit restaurant zich nog al een taalkundige vrijheid veroorloofd door le restaurant Dauphine en niet Dauphin te noemen. Waarschijnlijk dacht men te veel aan de bekende eetgelegenheid La Coupole (de koepel) in Parijs. Daaraan denken mag van mij, maar een vergelijking daarmee loopt spaak, zeker voor iemand die al in La Coupole kwam vóór de grote brand.

Al met al is er weer een industrieel pand van de sloop gered. Want ik begreep dat de gemeente er een autotransferium van had willen maken, ik ben blij dat dit niet is doorgegaan. Ik hoop dat vele ontwikkelaars en architecten dit voorbeeld zullen volgen indien zij de opdracht krijgen tot sloop of herbestemming van leegstaande bedrijfsgebouwen.