| |
Afgelopen vrijdag organiseerde
onze ambassade in Berlijn een conferentie over Grote Stedenbeleid. Vertegenwoordigers
van Nordrhein-Westfalen en van ons land discussieerden in twee talen
over de grote stedenproblematiek in beide landen. Het viel me op dat
de integratie van nieuwe Nederlanders en nieuwe Duitsers niet echt opschiet.
Huisvesting en bedrijfsruimten zijn, dat werd me duidelijk, belangrijke
ingrediënten, voor een geslaagde integratie.
Bij toeval zag ik de Amsterdamse wethouder Stadig en minister mevrouw Dekker
een week daarvoor in een uitzending van het discussieprogramma Buitenhof
zeggen dat zij niet meer van getto’s spreken. Zij vinden het helemaal
niet erg dat nieuwe Nederlanders met een kleurtje in wijken bij elkaar
willen wonen. Wel vinden zij het een probleem als in een wijk alleen maar
kansarme mensen wonen en in andere wijken alleen kansrijken. Dat zorgt
voor onrust. Dezelfde geluiden hoorde ik in Berlijn zowel van mijn landgenoten
als van de oosterburen. Dat is dan een probleem minder, zou ik zeggen.
In de wijken waar veel kansarme (nieuwe) mensen wonen, staan ook veel goedkope
en slechtere huurwoningen en dito bedrijfsruimten. Dat betekent dat de
bewoners die een kans krijgen of grijpen, vertrekken naar betere huisvesting
in een andere wijk waar zich al veel kansrijken bevinden. Hun plaats wordt
dan weer ingenomen door andere kansarmen. Dus is het zaak om die oude wijken
zodanig te herstructureren dat voor hen die van kansarm in kansrijk veranderen
zich een betere wonen kunnen aanschaffen of huren. En voor de ondernemers,
die er steeds meer komen in die wijken, goede winkels en kantoren. Straten
en wegen, openbaar vervoer, fiets- en voetpaden moeten in deze wijken evengoed
worden onderhouden als in de betere wijken. Goed onderhoud en schoonmaken
van de publieke ruimten voorkomt meer vuilnis en vernielingen en geven
het publiek een veilig en comfortabel gevoel.
Ik begrijp ook wel dat alleen goede huisvesting voor mensen en bedrijven
niet zaligmakend is. Men moet onze taal machtig zijn, zich ook aanpassen
aan ons land, de handen uit de mouwen steken en niet denken dat sociale
uitkeringen vanzelfsprekend zijn. Gelukkig zie ik op de bouwplaatsen steeds
meer mensen met een kleurtje, al hoor ik ook wel veel Pools spreken op
de steigers.
|
|
Als ik iets geleerd heb ik
Berlijn, is het wel dat politici niet zo voorzichtig moeten zijn met
nieuwe Nederlanders. In de landen waar zij of hun ouders vandaan komen,
legt men de bewoners ook niet in de watten. Er moet gewerkt worden en
regels gelden voor iedereen.
Rotterdam presenteerde zich uitbundig. Het project Le Medi spetterde en
daarover schreef de Berlijnse correspondent al op afgelopen maandag in
deze krant. Wethouder Bolsius legde uit dat hij nieuwkomers slechts een
tijdelijke inschrijving op hun adres in het bevolkingsregister toestond.
Als de nieuwkomers zich niet aan de regels hielden en zich niet volgens
afspraken gedroegen, kunnen ze na zes maanden vertrekken. De Rotterdamse
aanpak bracht op onze ambassade in Berlijn een schok te weeg. De Amsterdamse
wethouder Huffnagel belichtte de situatie in de hoofdstedelijke middenstand
waar de nieuwkomers een flink aandeel voor hun rekening nemen. En het zijn
niet alleen mensen met een kleurtje die daar kopen.
Grote Steden moeten dus aan het werk; Zij moeten omgaan met de bewoners
en bedrijven die er nu eenmaal zijn binnen hun gemeentelijke grenzen. De
diverse culturen die zij herbergen kunnen naast elkaar leven. Kijk naar
New York, hoeveel nationaliteiten huizen daar niet? Inderdaad zij hebben
een gemeenschappelijke deler: de taal, die iedereen op zijn manier spreekt.
Daar vindt u echt geen overheidsfolders in het Chinees, Nederlands, Turks
of Marokkaans. Dat is een goede les. Een stad die veel verschillende culturen
niet goed kan herbergen, is immers een dorp.
|
|